Tagarchief: Bijbel

Een Boek dat tot leven komt

‘Wij willen dat de Bijbel een levend boek wordt!’, zo luidde één van de gebedspunten tijdens een doordeweekse kerkelijke samenkomst in Aramba. Zonder dat ze het wisten, was dit een antwoord op onze gebeden voorafgaand aan Michels derde verblijf in Aramba, dit keer alleen.

(Deze tekst verscheen eerder in het kerkblaadje van onze thuisgemeente)

Een levend boek?
Tijdens onze eerste twee bezoeken aan Aramba konden we niet zo’n goed beeld krijgen van de plaatselijke kerk in Aramba. We vonden dat er maar weinig mensen naar de kerk kwamen en dan vooral vrouwen en kinderen. Aan de andere kant kwamen we veel enthousiasme tegen voor het Bijbelvertaalproject. Maar dat kwam vooral van de kant van de kerkleiders en de vertalers.

De landelijke kerk, waarbij de plaatselijke kerk in Aramba is aangesloten, is goed georganiseerd, gezond in de leer en de kerkleiders in Aramba geven blijk van een oprecht geloofsleven in afhankelijkheid van God en in bewogenheid met mensen. Maar hoe zit het met de doorsnee Aramba-mensen?

Deze vragen hielden ons erg bezig, toen we dit verblijf in het dorp aan het voorbereiden waren. We hebben gebeden of de Heere iets wil laten zien van Zijn werk onder deze mensen.

Dankdag voor gewas
Op de dag van aankomst is er een samenkomst in de kerk, waarin de gemeente bij elkaar komt om de Heere te danken voor de eerste oogst (eerstelingen) van de yams. Op de foto hieronder ziet u een vrouw die haar yams aan de stapel toevoegt.

Een vrouw brengt haar 'eerstelingen'

Tàrsá tàxwe
Op woensdagavond hoor ik plotseling de kerkbel. Ik ben nergens van op de hoogte, dus ik informeer bij een paar mensen wat er gaat gebeuren. Het antwoord is verblijdend: de kerk heeft enkele weken besloten om ook doordeweekse diensten te houden. Er was namelijk meer behoefte aan kerkelijk contact! Het wordt een lange avond, van circa 7 tot 10 uur en de kerk zit helemaal vol. Het programma is een mix van veel zingen, bidden en het luisteren naar getuigenissen van een groep vrouwen die op vrouwenkamp waren geweest en vertelden over het werk van God dat ze gezien hadden. Ik kan lang niet alles volgen, omdat alles in Aramba wordt gesproken. Maar op een gegeven moment spits ik mijn oren, als ik de woorden tàrsá tàxwe hoor. Er wordt gevraagd waarvoor gebeden kan worden en één van de vrouwen antwoord met deze woorden: dat de Bijbel een tàrsá tàxwe, ofwel een levend Woord mag worden! En met instemming wordt dat gebedspunt ontvangen.

Ik ben ontroerd. Dit is een antwoord van God op ons gebed! En mijn gedachten beginnen te malen: de mensen beseffen dat de Bijbel het levend Woord van God is, maar zo ervaren de mensen de Bijbel blijkbaar (nog) niet. Zou er een verband zijn met het feit dat de Bijbel niet in hun eigen taal, maar in het moeilijke Engels gelezen wordt? Bestaat er een verband tussen de geringe zeggingskracht van de Engelse Bijbel en de lage opkomst in de kerk? Ik had geen sterkere bemoediging kunnen krijgen aan het begin van mijn verblijf in Aramba, om dóór te gaan met het vertaalwerk voor deze mensen.

Het Woord gaat open
In het weekend word ik gevraagd om op zondag het Woord uit te leggen. Ik besluit te spreken over de Bijbel als levend Woord van God. Aan de hand van Filippenzen 2:1-11 staan we stil bij het levend geworden Woord, Jezus Christus, Die Zich niet voorstond op Zijn Goddelijkheid, maar Zich vernederde door mens te worden. De toepassing vinden we in vs. 5: Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jesus was (SV) of: Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was (HSV). Om welk gevoelen, om welke gezindheid gaat het hier? Om die van nederigheid.

Ik spreek in het Engels en terwijl ik luister hoe mijn vriend Katawer het in Aramba vertaalt, zie ik de gemeente aandachtig luisteren. En ik bid dat Gods Woord beslag mag leggen op deze mensen.

De volgende dag word ik gevraagd of ik op woensdag weer het Woord wil uitleggen en zondag weer. En opnieuw worden de diensten goed bezocht. Ik realiseer me dat ook dit antwoorden zijn op ons gebed. Er is meer honger en dorst naar het Woord van God dan we aanvankelijk hadden gezien.

De kerk zit vol

De kerk zit vol

Afscheidsmaaltijd
Aan het eind van de twee weken is het tijd van afscheid nemen. In Aramba gebeurt dat met een gezamenlijke afscheidsmaaltijd in de kerk. Daar had ik er al drie van meegemaakt, maar deze vierde sloeg alles. De opkomst was overweldigend, zodanig dat we moesten uitwijken naar het veld buiten de kerk, omdat de kerk te klein was. Ik ervoer dat er een klik gekomen was met deze mensen en dat dit ook wederzijds was. Maar het mooiste komt nog.

Tijdens een van de gebruikelijke afscheidsspeeches was er ook een speech van een van de dorpsoudsten. Hij spreekt geen woord Engels, maar met mijn gebrekkige Aramba-kennis en zijn uitbundige gebaren begrijp ik al snel dat hij refereert aan het thema van nederigheid van de eerste zondag. Later begrijp ik dat hij geraakt was door dat thema van nederigheid en mij bedankte voor deze Bijbelse boodschap.

Vier weken in de jungle (1/2)

foto 1: haus morota

foto 1: haus morota

Het was de droom van onze waspapa (gastvader). Zeventig jaar had hij in een haus morota gewoond, een huis met een dak van bladeren dat elke 8-10 jaar vervangen moest worden (foto 1). Nu had hij voldoende gespaard om een haus kapa te laten bouwen door zijn zoons: een ‘permanent’ huis met een dak van golfplaten. Overdag wel warm onder de felle zon, maar dan ben je toch niet binnenshuis. Immers, een huis is niet om in te wonen, maar om in te slapen!

foto 2: ons huis in de jungle

foto 2: ons huis in de jungle

Dit paleisje, midden in de jungle, werd onze woning voor de laatste vier weken van de POC. Onze opdracht: overleven in de jungle, relaties aangaan met de lokale bevolking, vertrouwd raken met hun cultuur en dagelijkse bezigheden. En natuurlijk het verbeteren van onze spreekvaardigheid in Tok Pisin. Links op foto 2 zie je het huis waar we sliepen en rechts op dezelfde foto zie je een enorme haus kuk, die de functie heeft van familiekeuken en familie-eetkamer.

 

foto 3: een deel van ons gastgezin

foto 3: een deel van ons gastgezin

Ons gastgezin
Het dorpje waar we verbleven, droeg de naam Milhanak, een klein uurtje rijden ten zuiden van de stad Madang. Een dorp in de jungle is meestal niet meer dan één grote familie of een clan. Zo ook ons dorpje, dat bewoond werd door onze waspapa met een aantal van zijn 14 kinderen en enkele broers van hem met hun kinderen. Een klein deel van deze gemeenschap zie je op foto 3. We zijn onder de indruk van de enorme gastvrijheid van deze mensen. Zonder er ook maar iets voor te vragen, hebben ze voor vier weken hun nieuwe huis aan ons afgestaan en goed voor ons gezorgd!

foto 4: mijn badkamer

foto 4: mijn badkamer

Douchen met stromend water
Om 06.00 komt de zon op en dat betekent: opstaan. Ik (Michel) trek m’n zwembroek aan, pak een handdoek, shampoo en zeep en loop naar onze badkamer met,  jawel, stromend water.
Je moet er  10 minuten voor lopen, maar dan heb je ook wat: een heerlijk diep bad, met op de achtergrond een kleine rotspartij en tussen de torenhoge bomen schitteren de zonnestralen die weerkaatsen op het water. Daar kan geen douchegordijn aan tippen! ’t Water is een beetje koud, maar daar word je goed wakker van. Als ik terugkom, is het overal een en al bedrijvigheid: iedereen is in zijn haus kuk zijn ontbijt aan het koken: zoete aardappel of rijst met gebakken banaan.

Aangeklaagd voor kisim pekpek (het stelen van …)
Onze waspapa was een van de vijf magistraten van de lokale rechtbank, die wekelijks vergadert om allerlei hevi (problemen) op te lossen. Twee keer ben ik met hem mee geweest en kreeg ik een unieke blik achter de schermen van dit ogenschijnlijk zo vredige dorp.

foto 5: voor de rechtbank

foto 5: voor de rechtbank

Op woensdagmorgen vertrek ik om 08.00 met waspapa op weg naar de rechtbank. Na een uurtje wandelen stopt waspapa om een praatje te maken met een man die langs de weg in de schaduw op een boomstronk zit te wachten. Dan wendt hij zich naar mij en zegt: dit is de rechtbank. We zijn nog vroeg: officieel begint de rechtbank om 09.00, maar vandaag werd pas na twee uur wachten de nationale vlag gehesen en een gebed uitgesproken. Inmiddels heeft zich aan de overkant van de weg een hele schare rechtszoekers verzameld en misschien nog wel meer toeschouwers. Een slungelige griffier vraagt luid om de papieren in te leveren met de officiële aanklachten, waarna de eerste aanklager het woord krijgt: een vader met zijn vrouw, een dochter en een zoon. Met grote verontwaardiging en de nodige woeste armzwaaien beschuldigt de vader de beklaagde van kisim pekpek. Ik had moeite om niet te grinniken, want dat betekent niets anders dan ‘het stelen van poep’. Maar ik kreeg al snel in de gaten dat dit een heel serieuze aanklacht was! Een week geleden moest zijn 12-jarige dochter haar behoefte doen tussen de bomen in de bush. Toen ze even later wegliep, zag ze – en haar broertje was getuige! – dat de beklaagde naar de betreffende plek liep, haar ontlasting (pekpek) oppakte, in een plastic zakje stopte en wegliep. Een paar dagen later was ze doodziek. En er was maar één verklaring voor: deze poepdief had sanguma (tovenarij) gepleegd met de ontlasting van dit meisje en nu zou ze sterven, tenzij de schuldige voor het gerecht werd gedaagd. De magistraten hoorden het aan en waren eenstemmig in hun oordeel: dit was zo’n serieuze zaak, dat het aan een hogere rechtbank voorgelegd moest worden.
Deze gebeurtenis zette mij stil bij het feit dat de duistere religieuze gewoonten en rituelen uit het verleden hier nog springlevend zijn. Het was een van de vele voorbeelden van syncretisme die we hier zijn tegengekomen: christendom vermengd met allerlei vormen van bijgeloof, animisme, tovenarij, occultisme, etc.

Het evangelie in het donker
’s Avonds is het om 18.30u al helemaal donker. Omdat elektriciteit in het dorp ontbreekt, behelpen we ons met zaklampen en olielampen. De avond is voor PNG-ers bij uitstek het moment van samenzijn met de familie. Vaak zitten ze buiten in of voor hun haus kuk rond een olielamp of een zaklamp om met elkaar de gebeurtenissen van deze dag uit te wisselen: taim bilong stori (de tijd van het vertellen). De mensen vinden het geweldig om verhalen te horen en het maakt niet uit waarover.

foto 6: Michel leest voor uit de Bijbel

foto 6: Michel leest voor uit de Bijbel

Op een avond bedacht ik: laat ik hun het bijbelverhaal van Jozef vertellen. Ze kenden het niet en een klein groepje mensen luisterde aandachtig. De volgende avond kwam een van onze brata (broers) langs en na een poosje wat gepraat te hebben, zei hij plotseling: mi laik harim narapela stori long Buk Baibel (ik zou graag nog een verhaal uit de Bijbel willen horen). En de volgende dag weer en de dag daarop weer. Het maakte niet uit of het regende, of hij een zware werkdag had gehad (als timmerman bouwt hij huizen), of hij een half uur moest wachten totdat wij de kinderen op bed hadden gelegd: elke avond was hij present en wilde hij dat ik hem voorlas uit de Bijbel in het Tok Pisin. Ontroerend! Op die manier hebben we samen het evangelie van Lukas en een gedeelte van Handelingen gelezen. We hebben met elkaar gesproken over het Paasevangelie: waarom is Jezus gestorven? En over de zegen van Pinksteren: dat dit evangelie niet alleen voor blanken of voor zwarten is, maar voor mensen uit alle hoeken van de aarde (Openb. 7:9).
De avonden met deze brata waren waardevol en herinnerden ons aan onze roeping om Gods Woord te brengen aan de volken van Papoea Nieuw Guinea. Bij ons afscheid hebben we hem een Nieuwe Testament gegeven in zijn moedertaal Amele. We bidden dat God de honger van deze jongen wil stillen met Zijn vrede. We hebben iets mogen zaaien en de rest is aan God (Jes. 55:11).

(Na een tijdje internetstilte zullen we in twee flashbacks – waarvan dit de eerste is – terugblikken op ons leven in de jungle. Daarna keren we weer terug naar de actualiteit van ons leven in Ukarumpa, waar we inmiddels goed aan het settelen zijn.)