Eerste indrukken in Arammba

(Vervolg Arammba-verslag, deel 3)

Ik word wakker, kijk om me heen en herinner me weer waar ik ben beland: in Kiriwo, een van de vijf Arammba dorpen. Ik ben benieuwd wat er allemaal te zien is in het dorp en vraag aan Katawer of hij me een beetje wil rondleiden. Eerst brengt hij me naar het zendingshuis, waar ik talloze foto’s neem om straks thuis aan Erna en de kinderen te laten zien.

zendingshuis

Zendingshuis uit de jaren ’80.

Het huis toont vooral vergane glorie, maar het is nog goed bewoonbaar … als je niet zo kieskeurig bent. Ik neem foto’s van dingen die later wellicht vervangen of vernieuwd moeten worden, zoals de dakgoot die ons moet voorzien van regenwater en de horren voor de ramen. Na even door het huis gelopen te hebben, realiseer ik me wat een luxe dit geweest moet zijn toen het in 1985 werd gebouwd. Daarom vraag ik aan Katawer hoe het dorp hierop had gereageerd? Dat viel volgens hem alles mee, want het dorp profiteerde er ook van. Het zendingshuis werd jarenlang niet alleen gebruikt door de zendeling, maar ook door de plaatselijke kerk en het bijbelschooltje. Bovendien, als ze een gewoon dorpshuis hadden gebouwd, hadden ze om de zoveel jaar een nieuw huis moeten bouwen en dit huis staat er nu al 30 jaar!

badkamer

Badkamer: puur natuur

Na het zendingshuis, bezoeken we de badkamer buitenshuis. Deze badkamer is een idyllisch plekje in de bocht van een kreek die zich door de jungle slingert. We lopen verder door het dorpje, voorbij een basketbal veldje en daar zien we warempel een Digicel-toren, die het mogelijk maakt om mobiel te telefoneren én te internetten. Vreemde gewaarwording: zoiets moderns in het hartje van de jungle.

Nadat we verder nog wat hebben rondgelopen en gezien waar ze het drinkwater putten, keren we terug naar huis om weer te eten, wat met elkaar te praten – … ehm en vooral te luisteren en dan valt er weinig meer te doen in het donker. Om 21.00 ligt iedereen op één oor.

Ontbijt en de eerste gesprekken in Arammba

huis

Slaapplekje onder de klamboe

De eerste nacht in Kiriwo heb ik goed geslapen. Het huis waarin ik slaap heeft twee wanden aan de noord- en zuidkant. De oost- en westkant zijn (nog) open, waardoor het lekker doorwaait, maar ’s nachts ook wel een beetje koud is. Om 06.00 zie ik het licht worden, en dat is voor de meeste mensen tijd om op te staan en het ontbijt klaar te maken. Terwijl ik nog onder een klamboe op m’n matje lig om alle nieuwe dingen te verwerken en me probeer voor te stellen hoe deze dag eruit gaat zien, hoor ik de mensen buiten gezellig zitten keuvelen. Ik begrijp er nog bar weinig van, want alles gaat in het Arammba. Af en toe hoor ik wat bekende woorden, zoals kisare, wat ‘dag’ of ‘zon’ betekent en manangu, het Arammba woord voor ‘hond’. Of namen van inmiddels bekende dorpjes in de wijde omtrek: Suki, Gowi, Morehead, Daru.

ontbijt

Ontbijt in de morgen

Nieuwsgierig gluur ik door een spleet in de noordwand van het huis en zie mijn gastfamilie gezellig bij een vuurtje, zittend op enkele matten van gevlochten palmbladeren. Ik vermoed dat het al een half uurtje later is en besluit om me klaar te maken en me bij het groepje te voegen. Op hun beurt beantwoorden ze beantwoorden mijn groet ‘Gafu kurem’ (goedemorgen) met een wederzijds gafu kurem en het gesprek gaat weer verder, in onvervalst Arammba, wat ik natuurlijk niet kan volgen. Ogenschijnlijk heerlijk genietend van de opkomende zon, probeer ik zoveel mogelijk nieuwe woorden in me op te nemen. Een leuke is het woord papa, dat je grappig genoeg alleen mag zeggen tegen een kind als je wilt dat het ergens mee stopt. Een beetje hetzelfde als ‘afblijven!’. Ik leer het woord xambrim (ga terug) en even later het woord xanbrim (kom terug). Eén letterpoot verschil.
Vlak bij mij zit een man die ik nog niet eerder heb gezien. Niemand verwacht hier dat je meteen gaat praten als je elkaar voor het eerst ontmoet, dus ik heb alle tijd om te bedenken wat ik zou kunnen zeggen. En na een poosje komt het er aarzelend uit. Het begin is gemakkelijk, want dat heb ik al zo vaak gezegd: ‘Gafu kurem’ (goedemorgen), maar dan moet ik hard nadenken: ‘Me mbuni dø nari?’ (hoe heet je?). Zo dat is eruit! Maar het moeilijkste komt nog, want zal ik in staat zijn om die vreemde namen goed te horen en … te onthouden? Zijn naam valt erg mee: Mbatawa Maira. En dan stokt het gesprek, want veel weet ik niet meer te zeggen. Ik probeer me te herinneren hoe ik mezelf introduceer en vragend komt het eruit: ‘Nduni dø me wari Michel?’ (mijn naam is Michel). Alsof ze dat nog niet wisten van de enige blanke in het dorp! Nu is het gesprek toch echt voorbij en ik heb tijd om te verwerken hoe dom ik me wel niet voel, vanwege het feit dat ik niet eens met deze mensen kan praten in hun eigen taal.

Het is een tijd van zitten, eten en praten. Op een vuurtje roosteren de vrouwen een aantal yams en koken een pot met water, terwijl ze rustig zitten te keuvelen. Een vrouw staat op om een paar citroenbladeren te plukken die ze in een kommetje doet en giet er vervolgens warm water bij. Het ontbijt is simpel maar voedzaam: yam en citroenwater. Voor iedereen is er genoeg. Ik krijg ook een bord toegeschoven en met een ‘Garnderi’ (dank je wel) pak ik zo’n grote, droge, zoete aardappel en eet hem op.

(wordt vervolgd)

Brand!

(Vervolg Arammba-verslag, deel 2)

Na het vertrek van het vliegtuig, haasten de vrouwen zich weer naar hun vuurtjes. Er blijkt een grote dorpsmaaltijd gehouden te worden om mij welkom te heten in het dorp. Ongeveer om 13.00 wordt een groot deel van het dorp naar de kerk naar de kerk geroepen, waar we de maaltijd gebruiken.

Welkomstmaaltijd in de kerk

Welkomstmaaltijd in de kerk

Nadat gedankt is voor het eten, komt een van de mannen uit het dorp naar voren en begint een speech af te steken in het Arammba, wat af en toe voor mij in het Engels wordt vertaald. Ze zijn blij dat er na 7 jaar eindelijk iemand is gevonden die hen kan helpen bij de doorstart van het Bijbelvertaalwerk. Vervolgens krijg ik een seintje van Katawer dat ik naar voren moet gaan voor mijn speech. Oef, daar was ik niet op voorbereid. Alles wat ik zeg, zal gewogen worden en deze eerste indruk zal bepalend zijn voor mijn relatie met deze mensen. Ik vertel over onze roeping naar Papoea-Nieuw-Guinea en hoe God het zo geleid heeft, dat wij met Katawer in contact kwamen. Ik refereer aan Openbaring 7:9-12, waar Johannes beschrijft hoe hij een bonte verzameling mensen ziet staan voor Gods troon. Het is mijn gebed, dat het Bijbelvertaalwerk in de Arammba-stam en de wijde omgeving ertoe mag bijdragen dat er straks tussen al die talen ook Arammba gesproken zal worden. Mij wordt een stoel aangeboden, maar omdat iedereen op de grond zit, weiger ik die pertinent. Nee, leg ik uit, ik kom hier niet als baas. Ik ben hier om jullie te dienen.

Net als we klaar zijn met eten, hoor ik geschreeuw en zie ik mensen geschrokken in een bepaalde richting kijken. ‘Renk!’ (vuur) wordt er geroepen en dat klinkt heel ernstig in deze droge tijd van het jaar. Enkele mannen gaan snel kijken, maar al gauw keert de rust weer terug. Erg gevaarlijk, zeggen ze. ‘Maar waarom komen jullie dan niet allemaal in actie?’ vraag ik. Het antwoord is ontnuchterend: ‘De wind staat de goede kant op’.

Brand aan de rand van het dorp!

Brand aan de rand van het dorp!

Ondertussen is hier sprake van een enorme bosbrand die snel om zich heen grijpt. Het was begonnen op de landingsbaan die nu voor een deel in de as ligt en een flink stuk van het aangrenzende woud is verloren gegaan. Van dichtbij zie ik hoe dorre bomen van binnenuit vlam vatten en als schoorstenen staan te roken, totdat ze knetterend op de grond vallen. Waar het vuur in de buurt komt van bewoonbaar gebied, proberen we het uit te slaan met bladertakken. Later begreep ik dat een ander deel van het dorp in actie was gekomen om te voorkomen dat het vuur al te veel zou verwoesten. Ondertussen realiseer ik me hoe ernstig de situatie geweest zou zijn als de wind de andere kant op had gestaan. Dan waren er op z’n minst enkele huizen in de vlammen opgegaan.

We keren terug naar huis en ik krijg te horen dat het tijd is voor een middagslaapje. Net die week hadden de mensen van een gezondheidswerker te horen gekregen, dat ze met de ergste hitte van 11.00 – 15.00 niet mochten werken. In Morehead was namelijk diarree geconstateerd en dat wilden ze hier graag op die manier voorkomen… Eigenlijk vind ik het helemaal niet zo erg, want de vorige nacht was erg kort geweest en ik heb al heel wat nieuwe dingen te verwerken. In elk geval genoeg om twee uur heerlijk te slapen.

Mijn eerste reis naar de Arammba-stam

Vroeg in de morgen, om 04.30 gaat de wekker. Ik (Michel) kleed me aan, leg de laatste spullen klaar en eet met Erna een bakje zelfgemaakte yoghurt met havermout, ananas en aardbeien.
De kinderen liggen nog heerlijk te slapen, behalve Hannah die weet dat papa vroeg weg gaat. Slaperig lachend geeft ze me een knuffel en dan nemen we afscheid voor een week. Hannah belooft goed voor mama en de andere kinderen te zorgen en zegt dat ze in de tijd dat ik er niet ben, voor de tuin zal zorgen. Met een gerust hart pak ik mijn trekkersrugzak en mijn hoed en kruip ik om 05.30 in het busje dat klaar staat om mij naar het vliegveld te brengen. Een Nederlandse collega gaat mee om afscheid te nemen van zijn vertalers, wat het wachten op het vliegveld wat aangenamer maakt. Aangekomen op het vliegveld van SIL, mag ik eerst zelf op de weegschaal gaan staan en daarna mijn bagage. Een vlucht naar Arammba kost maar liefst $ 3,48 per kilo. Het kwam dus goed uit dat ik in de achterliggende weken een aantal kilo was afgevallen.
Na het wegen is het wachten. We praten wat en zien hoe onze piloot zijn vliegtuig klaarmaakt en controleert voor vertrek. De vertrektijd staat gepland op 07.00, dus we zijn ruim op tijd. Even lijkt het erop dat we nog veel langer moeten wachten, want er trekt een dikke mist over de landingsbaan. Gelukkig blijkt de zon die even later opkomt, genoeg kracht te hebben om de mistwolken te verdrijven. Een kwartiertje later dan gepland kunnen we toch nog vertrekken.

De vliegreis
Behalve de piloot en mij zijn er nog de twee Papoea-Nieuw-Guineese vertalers van mijn Nederlandse collega. Zij hebben twee weken in Ukarumpa gewerkt aan het klaarmaken van Hebreeën voor publicatie. Nu gaan ze weer terug naar hun dorp. Daarvoor brengt het vliegtuig hen eerst naar Daru, vanwaar in een dhingi (motorbootje) verder varen over zee naar hun eindbestemming. Omdat we eerst deze twee mensen gaan wegbrengen, duurt de reis voor mij maar liefst vier uur en krijg ik de gelegenheid een flink stuk meer te zien van Papoea-Nieuw-Guinea.

Rivier door het oerwoud

Rivier door het oerwoud

Het is altijd weer indrukwekkend om laag in de lucht over het land te vliegen. Eerst vliegen we over de hooglanden, met bergen tot 3000m hoog, vervolgens over de Gulf Province met haar talrijke rivieren en baaien. En tenslotte is daar Western Province, zo vlak als Nederland, maar net als alle andere plekken in Papoea-Nieuw-Guinea bedekt door een dichte jungle.

Eindroute in Western Province

Eindroute in Western Province

Daru, een eilandje vlak voor de zuidkust van Western Province, functioneert als ‘hoofdstad’ van de provincie, al is het niet heel veel meer dan een groot dorp. Van Daru vliegen we verder naar Morehead, 150km verderop, waar we een Koreaanse vertaler en een Nieuw-Zeelandse vertaalconsulent oppikken. Zij vertellen me de lugubere herkomst van de naam Morehead (meer hoofden), die stamt uit de tijd dat koppensnellers in dit dorp hun trofees verzamelden. Gelukkig vliegen we snel verder en 4 minuten later landen we 30 kilometer verder op mijn eindbestemming in Kiriwo, een van de vijf dorpen van de Arammba-stam. Het voelt als een historisch moment: eindelijk op de plaats in de jungle waar we in onze tweede termijn als gezin part-time hopen te gaan werken aan de doorstart van het Bijbelvertaalwerk in Arammba en de start van het Bijbelvertaalwerk in omringende stammen.

aankomst-1

Opgewacht door Arammba-mensen

Aankomst in Kiriwo
Bij de landingsbaan in Kiriwo (één van de vijf Arammba-dorpen) worden we opgewacht door tientallen kinderen op dè voorgrond, met hun ouders op de achtergrond. Nu begint het avontuur pas echt: wat zijn de verwachtingen van de mensen? wat moet ik wel doen en wat moet ik vooral niet doen? Zelf heb ik weinig verwachtingen. Ik zal vooral kijken, luisteren en ervaren.
aankomst-3De begroeting met Katawer en Sawiyam, de twee vertalers die ik al in Ukarumpa had ontmoet, is hartelijk. De overige mensen staan van een afstandje toe te kijken en maken vooralsnog geen aanstalten om me te begroeten. Alle aandacht gaat naar de xanda jemend (grote vogel). Niet dat ze nog nooit een vliegtuig hebben gezien, want ze hebben al een landingsbaan sinds 1985. Toch blijft het fascinerend. Nadat Katawer even met de piloot heeft gepraat, klinkt er een korte schreeuw en plotseling rennen de vrouwen alle kanten op. Even later komt elke vrouw terug met een zak vol yams. De zakken worden gewogen en betaald. Katawer legt uit dat de tieners uit het dorp die tientallen kilometers verderop op de grote school zitten, het moeilijk hebben. Vanwege de aanhoudende droogte is er weinig te eten en daarom sturen hun ouders wanneer dat mogelijk is, tassen met voedsel naar hun kinderen op school.

Daar vertrekt het lijntje met de buitenwereld.

Daar vertrekt het lijntje met de buitenwereld.

Dan vertrekt het vliegtuig en mijn band met de buitenwereld is definitief afgesneden. Ik bevind me midden in de jungle, op twee uur vliegen van Ukarumpa, op 2 uur fietsen van Morehead en op drie uur loopafstand van het dichtstbijzijnde Arammba-dorp. Als het vliegtuig is vertrokken, volg ik Katawer en zijn familie naar hun huis aan het einde van het dorp, waar ik deze week te gast zal zijn.

(Dit was het eerste deel van mijn reisverslag naar de Arammba. Eind september ben ik daar voor een week geweest om deze stam als het ware te verkennen. Binnenkort aflevering 2.)

Het Nieuwe Testament in Kandawo opgedragen (met video!)

Vind Kandawo in de bergen

Vind Kandawo in de bergen

Enkele weken geleden was er een groot feest in de hooglanden van Papoea-Nieuw-Guinea. Er was een nieuwe mijlpaal bereikt: opnieuw was er een Nieuwe Testament voltooid in één van de ruim 800 talen van het land.

Kandawo
Stammen worden in Papoea-Nieuw-Guinea meestal vernoemd naar de taal die ze spreken. Zo is Kandawo de naam van een stam in de bergen in het midden van het land en tegelijk de naam van de taal die ze spreken. De taal wordt gesproken door een bevolking van ongeveer 4000 mensen. Het Wycliffe-echtpaar Mack en Doris Graham hebben daar ongeveer 20 jaar met de lokale bevolking gewerkt aan het Nieuwe Testament en nu was daar eindelijk die mooie vrucht op hun arbeid.

Geen gemakkelijke taak
Aanvankelijk begon het bijbelvertaalechtpaar met goede moed aan het vertaalproject. In de loop van de jaren ontmoetten ze echter steeds meer geestelijke weerstand. Dit uitte zich onder andere in diefstal, inbraak en vandalisme. Het werd zo erg, dat men meende het vertaalproject te moeten stoppen. Na enige tijd klonk toch weer de roep vanuit Kandawo om terug te komen en het vertaalproject voort te zetten. Dankzij Gods genade en ondoorgrondelijke liefde voor deze mensen is dat ook gebeurd. En sindsdien is er veel veranderd.

De Kandawo-bevolking had toegang tot de Bijbel in het Tok Pisin (de handelstaal van het land), maar Gods Woord had nog nooit hun hart geraakt. Totdat ze uiteindelijk het Woord hoorden in hun eigen moedertaal. Dit werd op typisch Papoea-Nieuw-Guineese wijze gevierd in een cultureel dramaspel.

Dramaspel over de komst van het Nieuwe Testament in het Kandawo

Dramaspel over de komst van het Nieuwe Testament in het Kandawo

Dramaspel over komst van het NT
In Papoea-Nieuw-Guinea is het gebruikelijk om na voltooiing van het Nieuwe Testament of de hele Bijbel, deze vertaling op te dragen aan God in een feestelijke sfeer. Vaak neemt de lokale bevolking het initiatief voor het invullen van dit feest en zo ook in Kandawo. Naast een aantal toespraken werd er veel gezongen en gedanst. Maar het hoogtepunt was wel dit dramaspel, waarin werd uitgebeeld hoe de Kandawo-mensen zich hadden gevoeld zonder een Bijbel in de taal van hun hart.

Eerst wordt geschetst hoe het Nieuwe Testament in het Grieks tot de mensen kwam. Maar het Griekse Nieuwe Testament paste niet in het hoofd en het hart van de Kandawo-mensen. Toen kwam de Latijnse vertaling, maar ook die paste niet. Hetzelfde gold voor de Engelse en de Tok Pisin Bijbel: allemaal pasten ze niet in het hoofd en het hart van de Kandawo-mensen. Totdat het Nieuwe Testament uiteindelijk in het Kandawo verscheen en de mensen Gods Woord niet alleen hoorden, maar ook gingen begrijpen.
In het drama wordt uitgebeeld hoe de pogingen van de duivel om dit tegen te houden, uiteindelijk falen.

Bekijk de video van het drama op onze website: video 6 (in het Engels)!

Wil je reageren? Dat kan via deze weblog (boven dit bericht) of met een persoonlijke email.

Medische zorg en sociale verplichtingen

Niet naar het ziekenhuis
De neef van onze tuinman is overleden. Hij was niet heel oud, ongeveer 50. Voor zover die leeftijd klopt, want veel mensen weten hun leeftijd niet, zeker de ouderen niet. Hij was getrouwd en had veel kinderen. Gelukkig had hij ‘maar’ één vrouw, want polygamie komt nog steeds voor. Hij was al een poosje ziek, had last van kortademigheid. Op mijn (Erna) vraag of hij een ziekenhuis had bezocht, antwoordde onze tuinman: ‘Nee, daar had hij geen geld voor. Mensen die geen geld hebben om naar een ziekenhuis te gaan, sterven gewoon’. In hoeverre angst voor het ziekenhuis ook een rol heeft gespeeld, werd mij niet duidelijk. Veel mensen weten de weg naar het ziekenhuis gelukkig wel te vinden. Zo wordt onze zendingskliniek in Ukarumpa dagelijks door veel mensen uit de vallei bezocht. De kosten zijn laag en meestal betalen mensen alleen de medicijnen die ze krijgen voorgeschreven. Tegelijk zijn er ook veel mensen die dus nooit in een ziekenhuis terechtkomen, ook niet als dat wel nodig is.

Wachtkamer van onze kliniek

Wachtkamer van onze zendingskliniek

Bevallen in de jungle
Ik ben zelf net bevallen en volgens het beleid van SIL weken we hiervoor uit naar buurland Australië. Maar wat een tegenstrijdige gevoelens gaan er in je om, als je beseft dat Papoea-Nieuw-Guineese vrouwen die luxe niet hebben. Wat is ongelijkheid groot! Mijn vriendin Rudy vertelde me dat ze in haar dorp van te voren beoordelen of een vrouw sterk genoeg is om op eigen kracht te bevallen. Als ze denken dat dit niet het geval is, sturen ze haar naar een ziekenhuis. Maar als ze denken dat ze wel sterk genoeg is, sturen ze haar naar het bos! Dit gebeurt nog steeds. Rudy werd aangezien voor een sterke vrouw en baarde haar vier kinderen in de jungle. Haar jongste dochter is vijf. Zo kan het dus ook. Maar het zal niet verbazen, dat de moedersterfte in Papoea-Nieuw-Guinea ruim 25 x hoger is dan in Nederland: per 400 bevallingen is er één moeder die het niet overleeft… .

Sociale verwachtingen
Terug naar onze tuinman. Een sterfgeval in een dorp in Papoea-Nieuw-Guinea heeft grote consequenties voor het sociale leven. Iedereen wordt geacht mee te doen aan de rituelen rondom de begrafenis. Zo hebben onze tuinman en zijn vrouw de afgelopen nacht doorgebracht in een ‘haus krai’ (klaaghuis). Komende nacht gaan ze niet, want voor hen is het te zwaar om twee nachten niet te slapen. Dat is acceptabel voor anderen. Geen enkele nacht in ‘haus krai’ doorbrengen is – sociaal gezien – geen optie.

Mumu: een gemeenschapsmaaltijd

Mumu: een ingegraven gemeenschapsmaaltijd

Na afloop van de begrafenis komt er een grote ‘mumu’. Een ‘mumu’ is een kuil in de grond met daarin gloeiend hete stenen. Bovenop de stenen wordt een enorme hoeveelheid groenten, zoete aardappelen, bakbananen en vlees gegaard, aan de bovenkant weer afgedekt door bladeren en aarde. De gezamenlijke maaltijd vormt de afsluiting van de begrafenis. Ieder familielid levert voedsel voor zo’n mumu. Groenten uit de tuin, maar ook eten dat met geld gekocht moet worden: rijst, brood, vlees, tonijn uit blik. De vrouw van onze tuinman verkocht aan ons een bak aardbeien voor omgerekend 2 euro en haastte zich naar een nabijgelegen plattelandsstadje om iets te gaan kopen voor de begrafenis.

Geven om later (net zoveel!) terug te krijgen
Er wordt nauwkeurig bijgehouden wie wat geeft. Wie veel geeft aan anderen, zal ook veel ontvangen als hij zelf eten voor een mumu nodig heeft. Wie weinig geeft, zal op zijn beurt weinig ontvangen. Daarom is er een druk om zo veel mogelijk bij te dragen.
Geven en ontvangen is een belangrijk onderdeel van de cultuur hier. Het is een manier om relaties te maken en te onderhouden. Er wordt precies bijgehouden hoeveel je hebt gegeven. Het geven en ontvangen moet namelijk goed in balans zijn, anders raakt de relatie verstoord. Een ‘dankjewel’ is niet genoeg, maar ‘voor wat hoort wat’. Als iemand die ik niet (goed) ken, mij een bos bloemen of een doosje aardbeien wil geven, moet ik bedanken. Want het betekent: ik geef je dit nu, omdat ik een relatie wil met jou. Als jij dit van mij aanneemt, ben je vervolgens ook verplicht om mij te helpen als ik iets nodig heb.
We letten daarom goed op, dat we op een cultureel gepaste manier reageren. Ook met mensen van wie we houden, met wie we een relatie hebben, of willen aangaan. Als buitenlander is het soms moeilijk voor ons om de waarde van iets te schatten. Wat is bijvoorbeeld de waarde van een oude, versleten, afgedankte deken? Van levensbelang bij koude nachten in een Papoea-Nieuw-Guineese hut…